Inleiding van Francisca van Vloten bij de opening van de tentoonstelling Een tere stilte en een sterk geluid te Domburg op 13 juni 2009 om 16.00 uur
Dames en heren,
Over twee jaar is het honderd jaar geleden dat Jan Toorop en Mies Elout-Drabbe de eerste Domburgsche Tentoonstelling organiseerden.
Aan de negen tentoonstellingen die tot 1920 plaatshadden, hebben volgens de catalogi en recensies 69 kunstenaars deelgenomen, 17 daarvan waren vrouwen. In 1921 werden er nog twee tentoonstellingen gehouden, voornamelijk van grafiek en zonder catalogus, maar uit de recensies is af te leiden dat er in elk geval 40 kunstenaars aan meededen, onder hen vijf vrouwen – vier die al eerder in Domburg hadden geëxposeerd en een nieuweling.
Deze 18 schilderessen werden voorafgegaan door de Belgische Euphrosine Beernaert, die in de jaren 70 van de 19e eeuw regelmatig op Walcheren werkte.
De Zomertentoonstelling van dit jaar is aan deze 19 vrouwen gewijd. Dat waren achtereenvolgens: Mies Elout-Drabbe, Lucie van Dam van Isselt, Jacoba van Heemskerck, Charley Toorop, Betsy van Manen, Roline Wichers Wierdsma, Miek Janssen, Caroline Blommers, of wel: van Hook Bean, Maroussia Le Fauconnier, Ada Góth, Sárika Góth, Marie Evers-Keg, Marie van der Harst, Lizzy Ansingh, Suze Robertson, Sara Bisschop, Marie de Jonge en als laatste Carry van Biema.
***
Mijn onderzoek naar deze vrouwen strekt zich over jaren uit. Een paar bijzonderheden wil ik u noemen - grappig genoeg betreffen die drie Caroline’s.
Allereerst Caroline Blommers. Zij was de eerste vrouw van Bart Blommers, een zoon van de Haagse School schilder Bernard Blommers, die zich in Amerika had gevestigd.. Elke poging tot informatie over haar via Nederlandse kanalen liep spaak - in Katwijk, in Den Haag, via het RKD [Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie], bij nazaten van de familie tot in Zwitserland en Amerika toe.
Alleen Internet bood mij een aanknopingspunt en zo kwam ik er uiteindelijk achter dat Caroline Blommers in 1879 als Caroline van Hook Bean werd geboren in Washington D.C. en dat zij in 1903 afstudeerde aan het bekende Smith College voor vrouwen in Northampton MA.
In het Archief van het College zijn papieren van haar bewaard gebleven, waaronder een brief die zij in 1914 vanuit Veere aan een oude studiegenoot had gestuurd. Met Bart logeerde ze in Veere en daarvandaan deden ze mee aan de Domburgsche Tentoonstelling van dat jaar, ieder met één werk.
Caroline stuurde enkele schetsen van het landschap en van Katwijkse vrouwen in dracht naar haar College, maar die zijn niet bewaard gebleven. Wél heeft het College een paar etsen van Caroline van de studentenhuizen op de campus.Aan mijn verzoek één daarvan in bruikleen te mogen ontvangen, is het bestuur van het College tegemoet gekomen en uiteindelijk heeft men de ets zelfs cadeau gedaan. Het Marie Tak Museum is nu dus de trotse bezitter van een ets van Caroline van Hook Bean, die in 1918 scheidde van Bart Blommers en in 1927 hertrouwde met Algernon Binyon en die Amerika vooral naam heeft gemaakt als portretschilder.
Dan Carry (Karoline) van Biema. In een recensie van de eerste tentoonstelling van 1921 kwam ik de zin tegen: ‘De aquarellen van C. van Biema munten uit door zuiverheid van kleur.’ Uit de Badkrant begreep ik dat het ging om ‘mej. C. van Biema’, komend uit Hannover en logerend ‘in het dorp en verschillende villa’s’. Toen begon een speurtocht door Nederlandse en Duitse archieven en uiteindelijk kon ik het leven en werk van deze vergeten kunstenares vastleggen.
Het is het trieste verhaal van een begaafd kunstenares en vooral lerares, die nauwe banden met Nederland had, er in 1938 naartoe vluchtte en die haar leven in 1942 eindigde in een Duits concentratiekamp.
Carry had onder meer een opleiding gevolgd aan de Haagse Academie – vrouwen werden in Duitsland pas in 1919 aan de officiële academies toegelaten. Terug in Hannover, begon zij zich te interesseren voor de kleur- en harmonieleer van de kunstenaar en theoreticus Adolf Hölzel, een kunstenaar uit Dachau – dat rond 1900 een kunstenaarskolonie was – en later hoogleraar aan de Academie in Stuttgart.. Carry werd een voorvechter van zijn ideeën, en gaf er lezingen en cursussen over.
In 1921 deed ze dat in Nederland, onder meer in Den Haag. Vermoedelijk is daar het contact met haar oude studiegenoot Jacoba van Heemskerck tot stand gekomen, die haar uitnodigde naar Domburg te komen.Een groot deel van Carry’s niet-verkochte werk is na haar dood teruggevonden en uiteindelijk bij een neef van haar terechtgekomen. Ik heb die indertijd bij hem gezien. Na zijn dood is het merendeel geveild. Het doet me goed dat we een aantal van deze werken hier kunnen laten zien.
De laatste Caroline is Charley Toorop. Aan deze kunstenares is en wordt veel aandacht besteed. Voor onze zomertentoonstelling is haar vroege periode van belang.
In een Zeeuwse collectie dook een symbolistische tekening op met in de tekening zelf het onderschrift ‘Charlie Toorop’, Charlie met i-e, zoals Charley haar naam in haar jonge jaren inderdaad ook schreef. U kunt de tekening zo meteen bekijken.
De compositie doet sterk denken aan bepaalde symbolistische werken van Jan Toorop, maar dan duidelijk gemaakt door iemand zonder zijn ervaring en kunde.
Charley heeft een paar symbolistische jeugdtekeningen gemaakt, die niet zijn teruggevonden en ook niet zijn beschreven. Dat één daarvan zou komen uit de collectie van de eigenaar van herberg De Valk in Westkapelle, waar Charley regelmatig logeerde, is dan ook alleszins aanneembaar (maar helemaal zeker is het niet).In de biografie van Nico Brederoo uit 1982, wordt melding gemaakt van enkele verdwenen werken van Charley. Twee daarvan waren van belang voor mijn onderzoek.
Om te beginnen de olieverf Stilleven uit 1914, die genoteerd stond als een bruikleen aan het Gemeentelijk Museum Het Princessehof in Leeuwarden. Daar was het werk onbekend, maar een onderzoek naar de aangegeven herkomst bracht mij naar een particuliere collectie in Wassenaar. Bij een onderzoek naar Jacoba van Heemskerck in het RKD was ik namelijk gestuit op de nog niet ontsloten collectie van Paul Citroen uit Wassenaar. Omdat ik wist dat een deel van die nog niet ontsloten collectie zich in Museum de Fundatie in Zwolle bevindt, heb ik mijn vraag bij mijn collega’s daar neergelegd. Zij moesten even zoeken, maar tot mijn grote plezier bleek het werk, dat ooit aan Arthur Lehning heeft toebehoord, zich inderdaad bij hen te bevinden en is het nu te zien op onze tentoonstelling.
In die rij past ook het portret van Maroussia Le Fauconnier, dat Charley in 1921 maakte. Van het begin af heeft dat mij geïntrigeerd. Mijn speurtocht naar deze houtskooltekening, die door Nico Brederoo als niet teruggevonden werd genoteerd en ook door Marja Bosma als vermist werd opgegeven, bracht me na enig zoeken naar een veilinghuis in Hamburg en daar liep het spoor dood, omdat de koper van het in 2004 geveilde werk het naar zijn eigen zeggen direct had doorverkocht en er niets meer mee te maken wilde hebben.
Zoiets gebeurt niet vaak, ik was dan ook behoorlijk bedremmeld. – maar een half jaar daarna dook het werk ineens op in Museum Kranenburgh in Bergen, aangeboden als bruikleen door de huidige eigenaar. Vragen over de herkomst hebben we gezamenlijk bekeken en tot mijn grote plezier hangt de tekening nu als bruikleen voor enige tijd hier in ons museum.***
Tegelijkertijd met onze tentoonstelling, dames en heren, heeft een gelijknamige tentoonstelling plaats in Museum De Schotse Huizen in Veere. Daar ligt het accent op de Veerse Joffers, zoals bij ons op de zgn. Domburgse Dames. Graag wil ik mijn collega van De Schotse Huizen, Joost Bakker, zeer bedanken voor zijn enthousiaste samenwerking.
In de tuin van het museum – om u heen – ziet u beelden van Monika Siebmanns uit Dachau. Mooi, ingetogen werk. Monika is een zeer gewaardeerde collega van EuroArt, de vereniging van Europese kunstenaarskolonies waarvan Domburg sinds jaren deel uitmaakt.
Bij de tentoonstellingen in Domburg en Veere verschijnt een boek. De afgelopen drie maanden heb ik vrijwel dagelijks zeer intensief daaraan samengewerkt met Hans-Günther Pawelcik, vormgever uit Worpswede. Pawel, heel graag wil ik je bedanken voor je enorme inzet en het geweldige resultaat. Het is een prachtig boek geworden
Dat boek wil ik, ten slotte, aanbieden aan Elsbeth Etty, die tot mijn grote plezier de tentoonstelling zal openen.
Elsbeth is niet alleen, zoals u op de uitnodiging hebt kunnen lezen, hoogleraar Literaire kritiek aan de VU en verbonden aan NRC Handelsblad; zij is ook de veelgeprezen biografe van Henriette Roland Holst, die meermalen naar Walcheren en naar Domburg kwam – en daarmee zijn we weer terug bij Domburg als kunstenaarskolonie en daaruit voortvloeiend de Domburgsche Tentoonstellingen.Ik wens u veel plezier bij Een Tere Stilte en Een Sterk Geluid.
Dank u wel.