Francisca van Vloten en Jan Peter Balkenende

Aanbieding ZT Special Badpaviljoen op woensdag 11 juni 2008 aan minister-president Jan Peter Balkenende door Francisca van Vloten, in het Badpaviljoen te Domburg

Mijnheer Balkenende, dames en heren,

In 1882 beschreef de Zeeuwse kroniekschrijver Frederik Nagtglas een zonsondergang aan zee in Domburg. De hemel werd ‘allengs gloeiender’ en de vurige bal veranderde in ‘een glanzende schijf die, als omgeven door een glorie van lucht en water wonderschoon kleurende wolken, langzaam in de golven wegzonk’. Hij eindigde met de woorden - ik citeer: “Haar tooverstaf ontsluit dan in ons hart het rijke veld der verbeelding, waarop oude herinneringen en nieuwe wenschen elkander kruisen.”

Dat laatste is een mooie omschrijving voor wat er hier in Domburg met het Badpaviljoen is gebeurd.

Het verhaal van de wederopstanding van het paviljoen is neergelegd in een tijdschrift, een speciale uitgave van het Zeeuws Tijdschrift - u wellicht niet onbekend - in samenwerking met de Bond Heemschut.

Allerlei aspecten komen erin aan de orde, de bouwhistorie en de restauratie, de sociale geschiedenis en achtergronden, de medische en ook de culinaire kant. In feite is het tegelijkertijd het verhaal van de ontwikkeling van Domburg als badplaats. Deze uitgave is kortom een veelzijdig document dat gelezen wil worden.

Mijnheer Balkenende, mag ik u verzoeken naar voren te komen.

Heel graag bied ik u het eerste exemplaar van de uitgave aan. Ik hoop dat u er met plezier en vaak naar zult teruggrijpen.


 

Uitnodiging Doorwerth

Opening ‘Kunst uit Domburg’ in Museum Veluwezoom (kasteel Doorwerth), vrijdag 28 maart 2008 om 16 uur, door Francisca van Vloten

Dames en heren,

Het is een groot plezier voor mij deze tentoonstelling te openen, niet alleen omdat mijn familie hechte banden met de Veluwe heeft – in het andere museum in dit gebouw hangt bijvoorbeeld een eland die jarenlang in de studeerkamer van mijn grootvader en later die van mijn vader hing – niet alleen daarom, maar ook en vooral omdat kunstenaars uit Domburg hier kwamen werken – en omgekeerd.

Oosterbeek is de oudste kunstenaarskolonie van Nederland. In navolging van het Franse Barbizon kwamen de schilders er, vanaf ongeveer 1840, om buiten naar de natuur te werken. Onder hen – u weet dat ongetwijfeld - veel vertegenwoordigers van de Haagse School, die met hun realisme en vrije manier van schilderen grote invloed op de nog heersende romantiek hebben uitgeoefend.
Zij werden niet alleen gedreven door het verlangen naar een eenvoudiger, natuurlijker bestaan maar ook door de wens het academisme in de kunst van zich af te schudden. Bovendien was het leven op het land relatief goedkoop.
Tegen de jaren tachtig van de 19e eeuw liep de bloeiperiode van de kunstenaarskolonie aan de Veluwezoom ten einde. En dat viel, bij toeval, vrijwel samen met het prille begin van Domburg als kunstenaarskolonie.

Badplaatsen lijken van nature kunstenaars te trekken. In Domburg werd die aantrekkingskracht nog verhoogd door de bijzondere lichtval langs de kust en de weerschijn ervan over het land van Walcheren.
Ze waren er natuurlijk allang, de enkele schilders, schrijvers en dichters die door het grillige duinlandschap, de altijd weer anders lijkende zee en de oude bossen die het dorp omzomen werden aangetrokken.
Aanvankelijk kwamen ze vooral op uitnodiging, bijvoorbeeld in opdracht van een eigenaar van een van de oude buitenplaatsen, die men nu nog her en der op Walcheren aantreft.
Die buitenplaatsen waren veelal in de 17e en 18e eeuw ontstaan - de bloeitijd van de Nederlandse handel en scheepvaart. Middelburgse en Vlissingse kooplui en rijk geworden Indië-vaarders belegden hun geld in grond buiten de steden en lieten daar een tweede huis op neerzetten.

Belgische kunstenaars als Emile Claus, Camille Van Camp en Euphrosine Beernaert brachten in de jaren zeventig van de 19e eeuw enkele of meer zomers op Walcheren door. Zij logeerden met vele andere gasten in het bij Domburg gelegen buitenhuis van de Antwerpse industrieel Emile De Harven en maakten het eiland tot onderwerp van hun werken.
Euphrosine Beernaert (1831-1901) schilderde op Walcheren voornamelijk duinlandschappen. Ze werkte ook op de Veluwe, bij Oosterbeek en Wolfheze, daar legde ze zich vooral toe op bos- en heidelandschappen. Haar stijl is krachtig en realistisch, haar kleurgebruik aanvankelijk gedempt maar in later jaren werd het subtieler en lichter.

Met dit handjevol Belgische schilders begon Domburgs ontwikkeling tot kunstenaarskolonie. Maar voordat de kolonie werkelijk tot bloei kwam, met Jan Toorop, beleefde Domburg een ander hoogtepunt.

Vanaf 1887 bracht de beroemde, van oorsprong Duits-Nederlandse arts Johann Georg Mezger (1838-1909) de zomers met zijn familie op Walcheren door. Mezger, ‘de man met de gouden duimen’, hechtte naast massage groot belang aan het nemen van zeebaden. Al gauw reisden vele hooggeplaatste personen uit heel Europa in de zomermaanden naar Domburg. De badplaats floreerde en het aantal zomerverblijven van vermogende Duitse en Nederlandse families nam toe.

Tegen die achtergrond kwam Jan Toorop, aan het eind van de jaren negentig, voor het eerst naar Domburg. Hij zou er tussen 1903 en 1922 bijna jaarlijks terugkeren.
Waar Toorop zich ook bevond, vrijwel altijd was hij door (kunst)vrienden omringd. Zijn betekenis voor Domburg was groot. Naast kunstverzamelaars, critici en vrienden uit de literaire, de muziek- en theaterwereld, volgden collega’s als Otto van Rees, Piet Mondriaan en Lodewijk Schelfhout hem naar de badplaats.

Het was Toorop die de plannen voor de Domburgsche Tentoonstellingen ontwikkelde; daarbij had hij zijn leerlinge Mies Elout-Drabbe aan zijn zijde en haar in Domburgse zaken ingevoerde echtgenoot Paul Elout als ruggensteun. Op hun beurt werden zij geholpen door collega-kunstenaars als Ferdinand Hart Nibbrig tot zijn dood in 1915, Jacoba van Heemskerck en Jan Heyse.
De bekende Domburgsche Tentoonstellingen hebben tussen 1911 en 1921 (met uitzondering van 1918) plaatsgehad in een speciaal daarvoor opgetrokken withouten gebouwtje vlak bij zee – de voorloper van het huidige Marie Tak van Poortvliet Museum Domburg.

Een veelheid van stijlen is kenmerkend voor de kunstenaars die in Domburg exposeerden, van naturalisme tot impressionisme en neo-impressionisme. Het licht werd gevangen in luministische werken, het kubisme waaide over met Parijse vrienden en het expressionisme werd geproefd in Duitse, Nederlandse [Bergen] en Vlaamse contacten met als belangrijkste vertegenwoordigers Jan Toorop, Piet Mondriaan en Jacoba van Heemskerck.
Kwaliteit was niet de verbindende factor bij de tentoonstellingen, veeleer lag die in onderlinge vriendschappen, liefde voor het Walcherse land en plezier in het werk.

Na de Eerste Wereldoorlog werd duidelijk dat er een eind was gekomen aan de meeste kunstenaarskolonies oude stijl in Europa. De kunst vroeg al een tijdje om een andere benadering, het landschap en het boerenleven verloren aan aantrekkingskracht. Meer en meer zouden de schilders de grondvormen van het geestelijke, het innerlijke leven van de mens in hun werk betrekken. Daarmee werd de rol van de stad weer belangrijker.
Voor Domburg gold dat in mindere mate – Belgische vluchtelingen waren er weliswaar met open armen ontvangen, maar verder was de oorlog grotendeels aan het plaatsje voorbijgegaan.
Toen het tentoonstellingsgebouwtje echter in het najaar van 1921 door hevige stormen in een puinhoop was veranderd en toen bleek dat Toorop na 1922 te ziek was om nog naar Walcheren te komen, betekende dat weldegelijk het einde van Domburg als kunstenaarskolonie.

Dames en heren, op deze tentoonstelling kunt u onder meer werken van Jan Toorop, Jacoba van Heemskerck, Mies Elout-Drabbe, Maurice en Sárika Góth, Lodewijk Schelfhout, Lucie van Dam van Isselt en Paul Schultze zien. Ik ga kort in op enkele van hen, die een band met Oosterbeek en omgeving hebben.
Dat zijn Mies Elout, Lucie van Dam van Isselt, Jan Toorop - en in verband met hem Miek Janssen - en ten slotte Maurice Góth.

Mies Elout-Drabbe (1875-1956):
In 1898 maakte Toorop een prachtige subtiele tekening van Johan Drabbe en zijn dochter Mies. De criticus Albert Plasschaert – de tweede echtgenoot van Lucie van Dam van Isselt – omschreef Mies op deze tekening als ‘een bloem nog niet open’. U kunt straks voor uzelf uitmaken of u het daarmee eens bent.

De familie Drabbe woonde van 1890 tot 1895 in Arnhem, voor zij zich na de pensionering van Johan Drabbe als beroepsmilitair in Domburg vestigde, het thuisland van Johans vrouw Louisa Boogaert. Mies bracht haar middelbare schooltijd in Arnhem door, en haar vrije tijd onder meer met wandelen naar de Westerbouwing, lezen en schilderen. Vanuit Domburg nam ze schilderles bij de Middelburgse kunstenaar W.J. Schütz - die overigens met één werk op deze tentoonstelling is vertegenwoordigd - en vervolgens aan de Haagse Academie. Haar belangrijkste leermeester was Jan Toorop. Hij was ogenblikkelijk door haar streven bekoord en raakte zeer met haar en haar vader bevriend. Hij onderkende haar subtiele aanleg voor portrettekenen en heeft haar de juiste weg tot de ontplooiing daarvan gewezen. De potloodtekening Portret van Jan Toorop uit 1907 bijvoorbeeld, verraadt duidelijk zijn invloed. Dankzij Toorop ontwikkelde Mies een gevoel voor vlakverdeling, voor nuanceringen in vlakvulling, voor schaduwwerking en het samenspel van lijnen. In datzelfde jaar 1907 tekende ze ook een verrassend portret van Toorops dochter Charley. Daaruit komt al iets naar voren van de strijdbaarheid, het moeizame streven naar overgave dat Charley’s loopbaan zou kenmerken. Beide portretten hangen op de tentoonstelling, het eerste als isografie.

Van de schilderijen van Mies zijn onder meer de olieverf Winter uit 1916 en de pastel Zee bij maanlicht uit 1951 hier aanwezig. Twee in techniek en materiaal zeer verschillende werken, maar allebei met het vermogen een wereld achter de zichtbare werkelijkheid op te roepen die grenzeloos is en zich alleen laat bepalen door de beschouwer.
Mies pointilleerde tot rond de Eerste Wereldoorlog, meestal olieverven en kleurpotloodtekeningen van landschappen en dorpsgezichten. Stillevens schilderde ze vaak in olieverf en naturalistisch, een enkele keer met een symbolistische toets.

In 1902 was ze getrouwd met Paul Elout, die een jaar later tot directeur van de Domburgsche Zeebadinrichting werd benoemd. Meer dan 50 jaar was hij aan de instelling verbonden, die onder zijn leiding tot bloei kwam.
Hun laatste levensjaar brachten Paul en Mies Elout-Drabbe door in een kliniek in Ellecom, die door een nichtje van Mies werd geleid. Daar stierven zij drie dagen na elkaar in mei 1956.

Lucie van Dam van Isselt (1871-1949):
Haar jeugd bracht Lucie of Luut van Dam van Isselt grotendeels in Kampen door. Ze was een nichtje van Mies Drabbe, haar moeder was een zusje van Johan Drabbe en haar vader was ook beroepsmilitair. Evenals Mies, volgde Lucie lessen aan de Haagse Academie, maar wel een decennium eerder dan haar nichtje. In 1892 trouwde ze in haar toenmalige woonplaats Bergen op Zoom met de ruim 12 jaar oudere Evert Ekker, die in Delft had gestudeerd maar zich als kunstschilder afficheerde.
In de eerste jaren van zijn huwelijk reisde het echtpaar veel, tot het zich in 1900 vanuit Den Haag in Oosterbeek, in de villa De Beekhof vestigde. Lucie raakte door haar twee zoons huisgebonden, Evert bleef reizen. De Beekhof groeide in deze jaren uit tot een ontmoetingsplaats voor kunstenaars uit allerlei disciplines. Veel van de bezoekers hadden een band met Walcheren en met Domburg.

In 1907 kwam het tot een breuk tussen Lucie en Evert. Lucie liet haar kinderen achter bij haar man en vertrok naar Veere. Daar bleef zij tot 1933 wonen. Deze schilderes van bloemen, stillevens, landschappen en stadsgezichten deed acht keer aan de Domburgsche Tentoonstellingen mee. Op de huidige tentoonstelling is zij vertegenwoordigd met twee bloemstukken uit familiebezit, een portret en een rodekoolstronk, waarvoor zij een schildering van servies in een porseleinkast opofferde.

Jan Toorop (1858-1928):
Na een opleiding in Nederland en België was de in Indië geboren Jan Toorop van het impressionisme van de Haagse School overgestapt op het in Frankrijk ontwikkelde neo-impressionisme.
Terug in Nederland, omstreeks 1890, werd hij al gauw gezien als de leider van de vernieuwing in de Nederlandse kunst.
Tijdens zijn daaropvolgende symbolistische periode, stond Toorop op het toppunt van zijn roem. Hij nam aan tentoonstellingen in heel West-Europa deel.
Toen hij zich in 1905 in de katholieke kerk liet opnemen, kreeg voor hem ‘het ondoorgrondelijk mysterie van het leven’ een basis; voor zijn werk betekende het een versmalling. Meer en meer zou hij zich gaan toeleggen op het maken van portretten en religieuze voorstellingen.

In een vitrine op de tentoonstelling is een prachtige, tere aquarel te zien, die Toorop in 1903 maakte van Paul en Mies Elout achter de kinderwagen.
In de wagen lag hun pasgeboren zoontje Frans, dat op 1-jarige leeftijd zou sterven aan een longziekte. Kort daarna werd hun tweede zoon geboren, die ze eveneens Frans noemden.

Aan een van de muren hangt een potlood- en krijttekening van Toorop uit 1907, die een relatief vol strand laat zien: een paar houten strandtenten, waaronder een melktent en een vruchtentent. Hier en daar een badkoets en een paard, dames in lange rokken met hoeden op en soms een parasol bij zich, een enkele man en vrouw in dracht. Het baden was nog niet gemengd, ‘Heerenbad’ en ‘Damesbad’ waren strikt gescheiden. Toezicht werd gehouden door twee badmannen, zij werden geholpen door twee badvrouwen die de baders van badkleding en handdoeken voorzagen. Er stonden twee grote houten kuipen op het strand, met zeewater gevuld, waarin de badkleren en handdoeken werden uitgespoeld om vervolgens aan een waslijn in de zon te drogen.

In 1912 had Toorop in Nijmegen de dichteres en aquarelliste Miek Janssen (1890-1953) leren kennen, die zijn werk bewonderde. Op zijn beurt had Toorop waardering voor haar gedichten. Mieks vader was de eigenaar van het beroemde hotel Schoonoord in Oosterbeek, Toorop heeft daar meermalen met Miek gelogeerd. Zij raakten in leven en werk nauw met elkaar verbonden en inspireerden elkaar wederzijds vanuit een mystiek-katholieke achtergrond. Toorops huwelijk was slecht en zijn gezondheid werd steeds slechter; Miek Janssen was tot zijn dood in 1928 een steun en toeverlaat voor hem.
In 1916 verhuisde Toorop van Nijmegen naar Den Haag. Daar, in Domburg en in Oosterbeek werkte hij tussen 1916 en 1919 aan zijn Kruiswegstaties voor de St. Bernulphuskerk in Oosterbeek.
Op de tentoonstelling hangen enkele reproducties van de Staties en in een vitrine liggen een paar publicaties van Miek Janssen, door Toorop geïllustreerd, en een portrettekening die Mies Elout van Miek Janssen maakte.

Tot slot Maurice Góth (1873-1944):
Deze impressionistische schilder en tekenaar, had na een internationale opleiding een bliksemcarrière in zijn vaderland Hongarije gemaakt. Zijn successen stelden hem in staat studiereizen door Europa te maken. Een van die reizen bracht hem, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, met zijn vrouw Ada (1877-1950) en zijn dochtertje Sárika (1900-1992) naar België. In augustus 1914 vluchtten zij voor het oorlogsgeweld naar Walcheren en vestigden zich in Domburg.

Maurice deed vanaf 1915 regelmatig mee aan de tentoonstellingen. Zijn Hongaarse, kleurrijke en zware vorm van impressionisme had in West-Europa plaatsgemaakt voor de meer heldere en luchtige benadering van het Franse impressionisme, waarbij hij de kleuren aanpaste aan het licht van de kuststreken.
Hoewel Maurice melancholiek van aard was en tot depressies neigde, heeft hij vele strand- en duinstukken gemaakt die een zonovergoten vredigheid, harmonie en sereniteit lijken uit te stralen.
Ada, die ook schilderde maar daar sinds haar huwelijk zelden mee naar buiten trad, deed twee keer mee aan de Domburgsche tentoonstellingen en - het lijkt bijna onvermijdelijk met zulke ouders - Sárika één keer, in 1919.

In het voorjaar van 1918 had in de Nemzeti Szalon in Budapest een overzichtstentoonstelling van Maurice’s werk plaats die enthousiaste kritieken kreeg. Bovendien werden veel van de werken verkocht. Dat moet de Góths in het verre Nederland goed hebben gedaan.

In de zomer van 1918 reisden zij naar Oosterbeek, waar Maurice onder meer een portret van Tincky de Klark, de achtjarige dochter van zijn Oosterbeekse vrienden Jaap en Marie de Klark maakte, dat ronduit een lust voor het oog is.
Haastig neergezet, onaf lijkend, maar zo rijk aan verwachtingsvolle levenslust, aan schilderpracht, dat dat er niet toe doet.
Niet altijd nam Maurice opdrachten aan. Tot ongenoegen van Ada weigerde hij mensen te schilderen die hem niet lagen.
Ada en Maurice logeerden in Oosterbeek, zoals gezegd, bij de De Klarks. Jaap en Marie de Klark woonden op het buiten Bergoord. Jaap, die antiquair was, schilderde als liefhebberij. Zijn vele schildervrienden kwamen ’s zomers een maand of drie, vier logeren. Als het grote huis vol was, dan stond een boerderijtje met de mooie naam De Grote Slok hun op het grondgebied van Bergoord ter beschikking. Daar werd in ieder geval elke dag een borrel gedronken.
Ook Ada heeft de tuin van Bergoord geschilderd. Dat werk geeft een vermoeden van wat zij had kunnen bereiken. Het subtiele kleurgebruik en de bijzondere eenvoud van de vorm roepen de prijzende recensies van Ada’s werk uit de Hongaarse begintijd van haar carrière in herinnering. Het is alleen maar te betreuren dat zij niet meer heeft gewerkt.

Ada en Maurice zijn – vaak met de Engelse schilder Denis Galloway en soms met Sárika – enige jaren lang in de zomer bij de De Klarks te gast geweest. Ook nadat de familie naar het buiten Zonneheem was verhuisd, dat door Evert Ekker vermoedelijk als zomerhuis was gebouwd en na Lucie van Dams vertrek tot woonhuis voor hem en zijn kinderen werd. Nadat het huis enige malen van eigenaar was verwisseld, betrok de familie De Klark het in 1923. Daar verbleven de Góths dus regelmatig en daar, en op Bergoord maakte Maurice enkele van zijn mooiste werken.
Thee in de tuin van Bergoord, zonder jaar, is een impressionistisch staaltje van levensvreugde. Bergoord, uit 1922, en hier aanwezig, is gedempter van kleur, het bevat ondanks het statisch karakter diepte en een ziel. Het leek erop dat Maurice eindelijk, na zich lange tijd beperkt te hebben gevoeld, weer een bepaalde mate van vrijheid gevonden en tot zich toegelaten had.

Sárika, die veel op reis ging, vond in Nederland een vertrouwde thuishaven. Haar ouders vestigden zich uiteindelijk in 1928 in Veere – nadat ze tevergeefs hadden geprobeerd zich weer thuis te voelen in het naoorlogse Hongarije. Hun leven lang bleven ze een gevoel van verscheurdheid houden.

Dames en heren, ik hoop dat ik u niet tezeer heb vermoeid en dat u nu met veel plezier naar deze mooi verzorgde en met aandacht voor details gemaakte expositie zult gaan kijken.
Tentoonstellingen zoals deze versterken de band tussen kunstenaarskolonies. EuroArt, dat sinds 1994 bestaat, is daarbij een zeer belangrijke verbindende factor.
Ik feliciteer de samenstellers van harte met hun keuze uit de verzamelingen van het Marie Tak van Poortvliet Museum Domburg en de Collectie H.F. Elout.

Dank u wel.