ZEEUWS LICHT
Presentatie van Francisca van Vloten in het kader
van de door het Zeeuws Museum in Middelburg georganiseerde Cultuurdebatten, 7
april 2004 Badhotel Domburg
Dames en heren,
Vanavond gaat het vooral om de vraag - ik citeer: of de licht-these opnieuw moet worden ingekaderd om haar kunsthistorische zeggingskracht
te behouden.
Met andere woorden, wat wij nu omschrijven en beschouwen als Hollands licht en Zeeuws licht, kan men dat nog steeds zo noemen en wat houdt het eigenlijk
in?
Het Hollands licht gaat - al heeft het zijn naam als kunsthistorisch begrip pas later gekregen - terug tot de Gouden Eeuw, de zeventiende eeuw, de tijd van Spinoza en Christiaan Huygens, van de grote ontdekkingen op het gebied van licht en waarneming, en van de schilders die daarmee begonnen te werken. Het licht in Zeeland viel wat die periode betreft onder het Hollands licht. Pas toen de schilders naar buiten gingen om te schilderen, kwam daar verandering in. Het Zeeuws licht vond zijn bakermat in het impressionisme - en als begrip in kunsthistorische zin heeft het pas betekenis gekregen aan het begin van de twintigste eeuw.
Het impressionisme wilde in een wereld die steeds sneller veranderde, een indruk weergeven, het vluchtige moment vastleggen. In spontane vegen en naast elkaar aangebrachte verftoetsen probeerde men de atmosfeer en de werking van het licht uit te beelden. Die kleurontleding was gebaseerd op het effect dat kleuren, van een afstand gezien, zich voor het oog vermengen. De neo-impressionisten hebben deze techniek verder doorgevoerd en wetenschappelijk benaderd.
Deze hele gerichtheid op de Franse kunst noemde men luminisme, naar het Latijnse woord lumen voor licht.
Het Nederlandse luminisme - dat zijn topjaren van ongeveer 1908 tot 1911 had - werd inderdaad geïnspireerd door Franse stromingen als het impressionisme, pointillisme, divisionisme en fauvisme. Als nieuwe beweging in de schilderkunst had het zijn basis op Walcheren.
![]() |
![]() |
Jan Toorop, Kanaal Middelburg-Vlissingen, 1907, olieverf |
Jan Toorop, Zee en duinen bij Domburg, 1908, olieverf |
De belangrijkste luministen in Domburg waren Jan Toorop (1858-1928) - volgens de criticus Conrad Kickert (1882-1965) in 1908 ‘de luminist bij uitstek' - en Piet Mondriaan (1872-1944).
In dat jaar 1908 had Toorop Zeeuwse werken in Amsterdam tentoongesteld, die een enorme indruk hebben gemaakt. Bijvoorbeeld Kanaal Middelburg-Vlissingen uit 1907 en Zee en duinen bij Domburg uit 1908. Het eerste werk heeft een mozaïek-achtige structuur en het tweede wordt vooral gekenmerkt door krachtige en lange verfstroken. De kleuren zijn natuurlijk, maar wel aangedikt, intenser gemaakt.
Wat Toorop hier deed, was niet alleen de werking van het licht weergeven, maar ook wat hij daarbij onderging, de sensatie ervan.
Piet Mondriaan, die Toorops werken in Amsterdam had gezien, kwam in de nazomer van 1908 voor het eerst naar Domburg. De kleuren en vormen die hij op Walcheren zag, heeft hij op een heel eigen manier verwerkt; hen aanvankelijk zachter makend dan in zijn daaraan voorafgaande fauvistische periode, maar wel steeds intenser en feller, en vervolgens – mede onder invloed van de theosofie – komend tot een vergeestelijking en abstrahering ervan.
Piet Mondriaan, Zee na zonsondergang, 1909, olieverf
In de basis deed Mondriaan hetzelfde als Toorop, maar veel ingrijpender: de sensatie die hij onderging weergeven.
Waarom hadden deze kunstenaars er behoefte aan die sensatie in hun Zeeuwse werken tot uiting te brengen?
Of liever gezegd, waarom is het licht in Zeeland zo bijzonder, dat het tot dit soort werken heeft geleid?
... Is het wel zo bijzonder?
Zeeland behoort tot de noordelijke regionen van Europa; de kust volgend vindt men schildersdorpen in onder meer Katwijk, Bergen, op de Nederlandse en Duitse waddeneilanden, langs de Deense kust bijvoorbeeld in Skagen en langs de Oostzeekust in Ahrenshoop.
Ik ga hier voorbij aan die kustplaatsen die een groot achterland hebben en richt me alleen op de ‘eiland'- plaatsen, met als voorbeeld Domburg, Skagen en Ahrenshoop.
(Ahrenshoop zal u het minst bekend zijn, het ligt in de voormalige DDR en je komt er bijvoorbeeld als je van Berlijn naar het noorden rijdt, naar de Oostzee.)
Kaart van Europese kunstenaarskolonies
Allerlei factoren zijn van invloed op de werking van het licht. Het zoutgehalte van de zee, de ongereptheid van het kustgebied, de hoogte van de duinen, de uitgestrektheid van het achterliggende land, hoe klein ook, de bebouwing, het klimaat, de warmte van het water en de lucht, het zoutgehalte van de lucht, de stand van de maan, de stand van de zon, de beweging van het water en, in onze tijd, de vervuiling.
Wat Domburg, Skagen en Ahrenshoop in de eerste plaats gemeen hebben, is het zeewater dat hen bijna omringt en dat een belangrijke rol speelt bij de reflectie van het zonlicht, zoals een relatief hoog zoutgehalte van de lucht het licht bijna transparant kan maken, en de schittering ervan over vlak, open land duizelingwekkend is.
De bovengenoemde factoren vermengen zich in bepaalde verhoudingen, en werken in op de kunstenaar - want daar gaat het hier uiteindelijk om - die zijn eigen weerspiegeling loslaat op de waargenomen weerspiegeling.
![]() |
![]() |
![]() |
P.S. Krøyer, Zomeravond aan het Zuidstrand van Skagen met Anna Ancher en Marie Krøyer,
1893, olieverf, fragment
Paul Müller-Kaempff, Avondstemming aan het Weststrand, z.j., olieverf
Piet
Mondriaan, Zeegezicht, 1909, olieverf
In de werken die u nu ziet, is er een overeenkomst in kleur en licht, in het bijzondere blauw en geel, en in ijlheid van de atmosfeer; want dat hebben zij in hun streekgebondenheid gemeen.
De techniek verschilt.
Het schilderij
Zomeravond aan het Zuidstrand van Skagen, uit 1893, is van Peder Krøyer
(1851-1909). In de tweede helft van de negentiende eeuw trokken veel Deense
kunstenaars naar Frankrijk; voor die tijd waren zij sterk op Duitsland gericht.
Aanvankelijk waren zij meer geïnteresseerd in het realisme dan in het impressionisme,
maar uiteindelijk ontstond er een mengeling. Als kunstenaarskolonie floreerde
Skagen in de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw; kunstenaars
uit Zweden, Noorwegen, Duitsland en Engeland maakten er deel van uit. Mensen
en mensen in het landschap waren hun onderwerp.
Het tweede schilderij, Avondstemming aan het Weststrand, is gemaakt door
Paul Müller-Kaempff (1861-1941) - de Toorop van Ahrenshoop - die eind jaren
tachtig van de negentiende eeuw Ahrenshoop voor de schilders ontdekte.
Piet Mondriaan ging al veel verder, in zijn Zeegezicht uit 1909 wordt de essentie weergegeven, maar de sensatie bepaalt het beeld.
![]() |
![]() |
![]() |
Anna Ancher,
Straat in Skagen-Østerby, ca. 1920, olieverf
Piet
Mondriaan, Kerk te Domburg, 1910/1911, olieverf
Dora Koch-Stetter, Het rode huis in Althagen, 1911, olieverf
In Skagen
en Domburg leidde de Franse invloed tot vernieuwing.
Anna Ancher (1859-1935), die deel uit maakte van de kolonie in Skagen, schilderde
omstreeks 1920 Straat in Skagen-Østerby. Opvallend is de bijna
parelmoerachtige en ook pastelachtige toepassing van de kleuren. En daarnaast,
de prachtige lichtval.
Het werk
doet enigszins denken aan Mondriaans Kerk te Domburg, uit 1910-1911,
al zijn de kleuren daar ook gedeeltelijk theosofisch bepaald.
Voor Ahrenshoop gold een nauwe verbondenheid met Berlijn en langs die weg met
het Duitse expressionisme, en soms met het Franse fauvisme. Er zat in enkele
gevallen een revolutionair aspect in, net als in Domburg.
Als voorbeeld
daarvan geldt het werk van Dora Koch-Stetter (1881-1968), die haar opleiding
in Berlijn bij de Duitse kunstenaar Lovis Corinth (1858- 1925) en later bij
de Roemeens-Duitse kunstenaar Arthur Segal (1875-1949) had gekregen.
Corinth bracht haar tot een impressionistische benadering. De invloed van Segal,
die zich in die tijd tot post-impressionist ontwikkelde, is duidelijk merkbaar
in haar expressieve olieverf Het rode huis in Althagen uit 1911.
Ook hier weer een verharding van kleuren om de sensatie weer te geven; niet
met het parelmoerachtige effect of het pastelachtige effect dat men vaak in
Domburg en Skagen zag, maar in dit geval een warm en direct, bijna heftig kleurgebruik.
In zekere zin historisch bepaald, dus.
Ahrenshoop heeft meer gemeen met Domburg: als kunstenaarskolonie bestonden ze
allebei tot ongeveer 1921 en in beide kwamen vertegenwoordigers van allerlei
disciplines; naast schilders ook schrijvers, dichters, en mensen van de muziek-,
toneel- en theaterwereld.
Bovendien waren ze allebei een kuuroord en een vakantieplaats, en onder de toeristen
bevonden zich regelmatig vermogende kunstliefhebbers.
Voorbeelden van een zelfde werking van het licht vindt men in nog enkele 'eiland'-plaatsen aan de Noord-Europese kust - maar waar het mij om gaat, is de gevolgtrekking dat het bijzondere licht in Zeeland - met kleine nuanceverschillen - gedeeld wordt met een aantal andere noordelijke plaatsen.
Het licht
in Zeeland werd Zeeuws, omdat in de weerschijn ervan onherroepelijk de uitwerking
telt.
Hét Zeeuws licht is er niet zonder de eigenheid van het Zeeuwse land,
maar het is er ook niet zonder de schilders, fotografen, dichters, denkers,
schrijvers, componisten, theatermakers enz. die zich erdoor lieten en laten
inspireren.
Moet het Zeeuws licht kunsthistorisch een nieuwe lading krijgen? Is het inhoudelijk hetzelfde gebleven?
Volgens de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986) heeft het Hollands licht, door de inpoldering van de Zuiderzee, halverwege de 20e eeuw zijn specifieke helderheid verloren.
Men kan
zich afvragen of het Zeeuws licht heeft geleden onder de Delta-werken.
... Misschien zijn er mensen in de zaal die het Zeeland van voor die tijd kennen
en daar later tijdens het debat iets over willen vertellen.
Het Zeeuws licht lijkt in elk geval inhoudelijk min of meer hetzelfde te zijn gebleven voor de jonge Hongaarse kunstenaar Krisztián Horváth (1976), die ik in 1997 in zijn vaderland aan het werk zag.
In 2000
kwam hij voor het eerst naar Domburg. Twee jaar daarvoor had hij de zee bij
Scheveningen leren kennen; de grijstinten met een beetje blauw en groen erin,
en daarachter in beige het strand.
Een nieuwe en indrukwekkende ervaring voor hem; maar niet zo overweldigend als
de kennismaking met de zee bij Domburg.
'Om 2 uur 's nachts ben ik gaan wandelen', vertelde hij. 'Het was volle maan, er was veel licht. Aan zee zag ik dat de golven groene kopjes hadden - geen witte - ze waren lichtgevend knalgroen. Ik stak mijn hand in het water, die werd ook groen. Geweldig, dat vergeet ik mijn leven lang niet. ... En dat kwam gewoon door de algen, en de reflectie van het maanlicht - maar het blijft een wonder.'
![]() |
![]() |
![]() |
Krisztián
Horváth, Zeeziel, 2002, pastel
Krisztián Horváth, Zonder titel, 2003, olieverf
Krisztián Horváth, Zonder titel/Oranje Zee, 2003, olieverf
Uit Hongarije had Horváth warme, aardse kleuren meegenomen, die zich nu vermengden met wat hij noemde: de 'kitsch-kleuren' van Toorop en Mondriaan - die waren voor hem: knalgeel, een bijzonder blauw, rose, rood, turquoise en beige. Hij begon, in navolging van hen, zijn kleuren sterker te maken - en voegde daar nog aan toe: groen, paars, lila, oranje en ook parelmoer.
Zeeziel, een pastel uit 2002, is een weerspiegeling in zichzelf. Horváth heeft het werk, toen hij het afhad, omgedraaid - omdat het op die manier nog veel beter de sensatie weergaf, die hij bij een zonsondergang had ervaren.
De zee maakte het, volgens hem, onvermijdelijk dat hij ging abstraheren: 'Hoe langer ik naar de zee keek, hoe meer ik alleen nog maar strepen en streepjes zag, een enkele keer een strakke horizon, maar vaak helemaal niets, zee en lucht werden door de kracht van de spiegeling één.'
Zijn olieverf Zonder titel uit 2003 lijkt wat compositie betreft wel heel erg op Mondriaans Zonsondergang bij zee uit 1909.
In 2003
deed Horváth mee aan een tentoonstelling in Domburg. Zonder titel/Oranje
Zee, een olieverf uit dat jaar, werd op de dag van de opening verkocht.
De recensent van de Provinciale Zeeuwse Courant, Ernst Jan Rozendaal,
noemde hem bij die gelegenheid 'de Mondriaan van deze tentoonstelling'.
'De kleuren deden mij pijn aan de ogen', zei Horváth, en daarmee bedoelde
hij niet zijn weergave ervan, maar de werkelijkheid van wat hij zag.
Het Zeeuws licht is een relatief licht. Het wordt, als begrip, steeds opnieuw geboren op het moment dat de beschouwer het zich toeeigent.
Kan een
museum het zich toe-eigenen? ... Ja, waarom niet?
Kan men zeggen dat de Zeeuwse musea het zich teveel toe-eigenen? Dat zij en
de Zeeuwse kunstmarkt het teveel 'vermarkten'?
Leeft, bijvoorbeeld, het Domburgs museum ervan?
Marie Tak van Poortvliet Museum Domburg, tentoonstellingen 1994-2004
2004 Moen! Tussen Toorop en Mondriaan. De kunstenares Mies Elout-Drabbe 1875-1956
Ironie en kleur. Kees Markusse schilderijen2003 Vaarzon Morel, een schildersfamilie
Trekvogel-artisten en Overblijvers. De Domburgse Tentoonstelling 20032002 Claire Bonebakker. Zonder kleur kan ik niet leven
Rudolf Hagenaar, een Zeeuws meester2001 Konstantin Lomykin. Een verborgen licht uit de Sovjet Unie
Bob Pestman. Terug in Zeeland2000 Een onbarmhartig mooi erfdeel. De Nederlands-Hongaarse kunstenaarsfamilie Góth
Agnes van Gelder, schilderijen en aquarellen/Leen Quist, porseleinen unica1999 Danza della Terra, Johnny Beerens
Meizoentjes, Lucie van Dam van Isselt1998 De zomer van Schütz. Schilders van Zeeland Voor anker in Domburg,
Hermanus Berserik, schilderijen, tekeningen en grafiek1997 Zomers in Zoutelande, Ferdinand Hart Nibbrig en Zeeland
Reimond Kimpe, Kimpe´s Collectioneur1996 Dirk Nijland en het water
In schoonheid verstild, Jan Heyse1995 Gerard von Brucken Fock, Schilderijen, tekeningen en aquarellen
Domburgse Grafiektentoonstelling 1893-19321994 Tentoonstelling van Schilderijen Domburg, Juli-Augustus 1912
Dat lijkt
me onzin.
Als u naar de achter mij geprojecteerde lijst kijkt, ziet u, dat de tentoonstellingen
vooral kunstenaars betreffen, die meededen aan de bekende Domburgse Tentoonstellingen
uit de periode 1911 tot 1921, en vervolgens regionaal bekende hedendaagse kunstenaars.
Dat het Zeeuws licht daarbij een rol speelt, hoe relatief ook, is onvermijdelijk.
Voor kleine negentiende- en twintigste-eeuwse meesters lijkt inderdaad op dit moment - en niet alleen in Zeeland - een grote markt te bestaan. Maar dat is een andere zaak.
Dank u wel.